‘En daar worden wij dus niet vrolijk van,’ oreert de auditmanager tegen de supermarktmanager.

Ik sta in de supermarkt op de broodafdeling. Ik ben een raschaoot en als raschaoot ga je minimaal vijf keer per week naar de supermarkt omdat je dingen bent vergeten of was vergeten dat je dingen niet moest vergeten. Vaak kom ik voor een pak melk en eindig ik met een zak aardappelen, een bolbegonia en vissticks weer terug in ’t Twingootje.

Op de broodafdeling heeft de supermarkt een schattig plankje gemaakt waar de mensen dan een plakje cake van af kunnen pakken. Ik sta te loenzen tussen een maisbolletje en een ciabatta als er een strak-gepakte audit-meneer en de supermarktmanager naast me komen staan. De auditmanager wijst met zijn perfect gemanicuurde vingertje naar het cakeplankje. Hij is zo’n antibacteriële handgel-gebruiker. Zo’n type dat zo’n tubetje in het dashboardkastje van zijn auto heeft liggen om voor iedere audit zijn handen te ontsmetten. Zo’n type die met zijn elleboog wc-deuren open maakt uit angst voor bacteriën en dan ontsmettingsdoekjes in zijn aktetas heeft om het brilletje voor gebruik schoon te maken. Die zittend plast omdat er anders spettertjes komen. Zo’n typje. Rillerig word ik daar van. Hij vraagt aan de supermarktmanager wat daar nou gruwelijk mis gaat. Ondertussen werken de bakkers achter de toonbank het meel tussen hun tenen vandaan want het is zaterdag en het is spitsuur. Dat de croissantjes wat zouter smaken zou mij niet verbazen, zo staan de lieve bakkertjes te zweten om alle broodjes klaar te krijgen.
‘Er staat dus geen bordje bij wát er op het plankje ligt! Dus als de klant dan een plakje neemt, heeft de klant géén, ik herhaal, géén idee waar hij die cake kan pakken. En daar worden wij dus niet vrolijk van,’ krakeelt de auditmanager.
Die laatste zin werkt als een processierups bij huidcontact. Mijn lijf ging van lekker losjes naar knetterrode uitslag. Wat is dat met mensen die, zodra ze de les gaan lezen, ineens vanuit ‘wij’ gaan praten? Is vanuit de ‘ik’ dan niet voldoende? Weet die kerel onbewust wel dat het echt klinkklare quatsch is en uit een soort verdedigingsmechanisme wordt er dan maar  in ‘we’ gesproken? Zodat het niet persoonlijk uit hem komt? Hoepel op, man. Doe normaal.
Ondertussen staat de supermarktmanager op een notebloc te noteren dat er een bordje bij het witte cakeje van het schattige plankje moet. Datzelfde notebloc gebruikt hij einde shift als onderzetter van zijn welverdiende borrel met collega’s. Ze zullen gieren om de opgeschreven punten.
‘En wat gaan wij hier dan aan doen?’
Inmiddels heb ik een dozijn talkpoeder nodig om de jeuk dragelijk te maken.
De supermarktmanager sommeert de drukke bakker een bordje bij het plankje van het cakeje te maken.
Ik voel inmiddels een bui aankomen. De auditmeneer draait zich langzaam naar me om en kijkt me met een stralende blik vanachter zijn brilletje aan.
‘Mevrouw,’ begint ‘ie, ‘wat denkt u als u dat plankje met dat cakeje ziet?’
‘Dat is een schattig plankje met een lekker cakeje,’ antwoord ik.
‘En u vindt het he-le-maal niet gek dat er geen bordje bij het cakeje staat?’
Nu wordt het leuk.
‘Nee, ik vind dat niet gek dat er geen bordje bij het cakeje staat. Ik vind het heel lief dat de bakkertjes tijd hebben gevonden in hun drukke dag vandaag, om mij te verrassen met zo’n lief cakeje.’
‘O.’
De supermarktmanager giert van het lachen. Hij vertrekt geen spier maar van binnen rolt ‘ie door de bakkersafdeling van het lachen.
‘Ik zou me er niet te druk om maken. Kijk eens hoe hard ze werken! Dat is knap. En dan vinden ze ook nog tijd die cake neer te zetten. Heel knap.’
Mister audit voelde dit gesprek niet aankomen en ik zie kleine zweetpareltjes op zijn controle-koppie verschijnen.
‘Ik weet zeker dat de rest van de klanten dit zeer vervelend vinden,’ begint hij nog.
Ik glimlach met medelijden. De auditmanager voelt het.
‘Ik vind dit een fantastische supermarkt. Ik kom er meer dan vijf keer per week. En als het moet neem ik iedere dag zo’n cake mee,’ lieg ik. Dat ik de vrouw van de pak melk vergeten en bolbegonia meenemen ben, hoeft deze meneer niet te weten.

Thuis aangekomen kom ik met een cake en wortels voor het konijn aan. Als ik het rennetje opendoe kijken vier kraaloogjes me blij aan.
‘Hier,’ hoor ik mezelf zeggen, ‘worteltjes. Van de supermarkt. Biologisch. Uit Twello.’ Het werkt besmettelijk. Of in de auditmanagers geval: ontsmettelijk.

 

RK