Met twee paashaasoren op en volledig in het groen liggen mijn nichtje en ik plat op onze buiken in de struiken. Mijn nichtje is vijf en als je vijf bent wil je kabouters zien. Inmiddels ken ik de propperige puntmutsjes die bij ons in de tuin wonen een beetje dus we gingen goed voorbereid te werk.
‘Kabouters vinden mensen eng. Ze houden alleen van dieren en zijn heel schuw,’ vertelde ik als ware Kabouter-connaisseur. Er werd een kaboutervergadering ingelast om de tactieken te bespreken. Het idee was simpel: als we ons zouden verkleden als dieren en niets zouden zeggen, wenden de kabouters vanzelf.

De korpschef van Politie Amsterdam heeft vorige week aan de media laten weten na te denken over het toestaan van een hoofddoekje bij de Amsterdamse Politie. Wat wil het geval: 52% van de Mokummers heeft een niet-Nederlandse afkomst. Vind dan nog maar eens een agentje die zonder doek, kruis of keppel door de Grachtengordel wil dartelen. Da’s lastig. Door het hoofddoekje te ‘legaliseren’ hoopt de chef meer agenten aan te trekken. Eén wijkagente nam afgelopen zaterdag de proef op de som. Ze is geen moslima. Ze knoopte een doek om en ging de straten af om te kijken naar de reacties van het publiek. De pandaberen van Rhenen waren er niks bij: uit alle hoeken en gaten kwamen er enthousiastelingen die de agente steunen en toejuichten. Op internet scroll ik langs de reacties. ‘Aanpakken dat gekke wijf!’, ‘Keihard ontslaan’ en ‘Flikker dan op naar je eigen land’ zijn een greep uit de gezellige Letter-Lingo wat Facebookreacties heet. Politie Amsterdam reageerde op Twitter dat ze maatregelen zouden treffen richting de betreffende agente. Ik mag lijen dat ‘maatregelen treffen’ in dit geval een bloemetje of doosje chocola bestellen is.

‘Stil! Volgens mij hoor ik iets!’ Mijn nichtje kijkt me met haar helderblauwe kinderogen aan.
‘Waar dan?’ fluister ik.
‘Dáár!’ en ze wijst naar de rododendron. Niks te zien.
Drie uur hebben we in de struiken gelegen, mijn nichtje en ik. Toen moest ze plassen en kregen we ‘t koud. Binnen ploffen we op het kleed voor de open haard en gooien onze paashaasoren af.
‘Jammer, he?’ open ik voorzichtig het gesprek. Haar gezicht met wipneus schiet omhoog en ze kijkt me stralend aan.
‘Nee, hoor. Ze moeten gewoon even wennen aan ons. Wedden dat het de volgende keer lukt? De volgende keer lukt het. Ze moeten gewoon langzaam wennen’

Ik kijk op mijn telefoon en krijg een appje van de wijkagente uit Amsterdam. Ze zit op het kleed voor de verwarming en is verdrietig. Ze appt of het dom is wat ze heeft gedaan. Ze vraagt of de mensen niet snappen dat ze enkel haar (gelovige) medemens wilde helpen. Dat ze wil, dat in een stad waar meer dan de helft van de bevolking andere etnische afkomst heeft, ook zij bij de politie kunnen aansluiten. Zich kunnen identificeren met de handhavers der wet. Ze vraagt of het een schande is dat ze ’s ochtends een doekje om haar hoofd bond en daardoor ineens een andere politieagente lijkt te zijn. Ze wordt verketterd als Quasi Modo van de Notre Dame. Maak daar maar Amsterdam van. Mensen smijten niet met tomaten maar met rake woordenreeksen. Om een doekje. Een doekje voor het bloeden voor het Amsterdamse Moslima-hart. Mijn telefoon telt 21 berichten, allemaal van de agente.
Ik app terug: ‘Ze moeten gewoon even wennen. De volgende keer lukt het. Wedden?’

RK

Voor Fien