Af en toe drink ik koffie bij mijn ouders. Zo ook vorige maand. Zij wonen in een poppig huis net buiten het dorp. Little House on the Prairie, maar dan met een verharde klinkerweg en elektriciteit, zoiets. Ik zat net een verhaal van mijn vader aan te horen, als er een auto de oprit oprijdt. Hillbillies als we zijn spitsen we alle drie onze oren en wachten welk bezoek zich bij dit koffiekransje gaat aansluiten. Sinds kort hebben mijn oudjes een hek aan het einde van de oprit wat buitengewoon grappige taferelen veroorzaakt. Wat hebben die ginnegappers nou gedaan? Het hek draait niet naar buiten maar naar binnen. Iedere nieuweling staat te martelen om het kreng open te krijgen. Ondertussen staat bruidspaar Kruitbosch te gniffelen achter het raam. Ik vind dat mooie humor.

Na de gebruikelijke ontmaagding van het humorhek komen er twee heren aangestapt. Het was net een fragmentje uit Baantjer. De Cock en Vledder komen het pad opgeschuifeld en gaan met gespreide benen en over elkaar geslagen armen op de veranda staan.
‘Meneer Kruitbosch?’
‘Jazeker, present!’ antwoordt mijn vader. Mijn moeder neemt een slok van haar straffe bak koffie.
‘U weet dat u zojuist illegaal gedumpt heeft?’
‘Ik weet nergens van,’ grinnikt mijn moeder, ‘heb jij me illegaal gedumpt, Hans?’
De heren vertrekken geen spier.
‘Een zeker iemand heeft u daarstraks bladeren zien storten in het parkje,’ gaat de gemeente-griffier verder, ‘minimaal 120/130 bladeren.’
Inmiddels ben ik naar de verborgen camera’s van Candid Camera aan het zoeken. Zelden zo een prachtig tafereeltje als dit gezien.
‘Wij zijn gebeld, meneer Kruitbosch. U bent gesignaleerd en op heterdaad betrapt.’
Ik moet aan de beademingsapparatuur van het lachen. Voor de beeldvorming: mijn vader is een goeiige lobbes waar Lassie nog een loeder bij lijkt. Zo’n lobbes.
‘Het groen storten mag pas vanaf de herfst. En weet u welke dag het is vandaag, meneer Kruitbosch?
‘Nou, nou?!’ valt Vledder de Cock bij.
‘Acht-en-twintig augustus. Dat is geen herfst. Dus dan mogen er geen bladeren gestort worden.‘
‘Gelukkig zijn er oplettende burgers die dit soort wanpraktijken signaleren en hier de gemeente over bellen. Een buurtbewoner had u gezien en ons direct ingelicht. Goed burgerschap.’
Die ouwe van mij heeft humor en vraagt of 115 bladeren eventueel door de groene vingers konden worden gezien. De Cock lacht niet. Het ongelooflijk guitige gesprek gaat voort.
‘En nu? Ik wist dat niet. Er staat een bordje dat je er groen mag storten. Ik wist niet dat…’
‘U kunt lezen, neem ik aan, meneer Kruitbosch?’
Prachtig. Nu begint het echte gemeentegeklier.
‘Dan had u dit kunnen zien. Een boete voor het illegaal dumpen van afval bedraagt 450 euro.’
Ik hou van humor maar meer van mijn ouwe lui dus ik besluit een kort intermezzootje in te zetten tijdens dit gemeentegezever.
‘Maar goed dat je die resten cocaïne en wiet daar niet gestort hebt,’ grinnik ik, ‘weet u wat? We pakken de aanhanger en harken het hele zooitje weer bij elkaar. Is dat een idee?’
De Cock kijkt naar Vledder. Alsof we in een ware Penoza scene beland zijn knijpt het duo de ogen samen.
‘Alleen als het binnen nu en… 52 minuten gebeurt,’ dreigt de Cock.
Mijn moeder grijpt de kookwekker en mijn vader en ik haasten ons naar het plaats delict. We harken niet alleen het groen maar ook elkaar bij elkaar van het lachen. Achter één van de ramen van de huizen staat een man met een veel te slappe bak thee onze strafbladeren te tellen. Gelukkig zijn er oplettende burgers. Bladerburgers zonder een humorhek.

RK