Zondag was het moederdag en op moederdag geef je cadeaus. Op een zekere leeftijd kom je niet meer weg met een tekening en een gedicht (‘mam wij vinden jou zo lief, jij bent echt een hartendief’) of beloofde weekendjes weg, geklad op een Hallmarkje die nooit verzilverd gaat worden. Mijn zus en ik namen ons moesje afgelopen zondag mee brunchen. De bediening was om te janken en kwam te vroeg, niet of met de verkeerde gerechten. De meisjes waren onaardig en de rekening klopte niet. Ons kon het weinig schelen. Wij dachten niet aan service. Niet aan verkeerd geserveerde cappuccino’s of bevroren glutenvrije broodjes.

David is twaalf en heeft een hersentumor. Zijn moeder pleit voor alternatieve geneeswijzen terwijl zijn vader wil dat zijn zoon kiest voor de weg die het meest bewezen goede resultaat meet: de chemokuur. Vader spande een rechtszaak aan om zijn zoon met dranghekken bij de rand van de dood vandaan te houden. De rechter had de loodzware taak hierover te beslissen. Papa verloor en David hoeft geen chemokuur. Vader haalt jankend de hekken rondom het zwarte, gapende gat van de dood weg. Hij ziet zijn kleine jongen, aangemoedigd door zijn ex-vrouw op zijn kinderfiets het gat in donderen. En er is niets wat hij kan doen.

Ik denk niet aan cappuccino’s of glutenvrije broodjes. Ik denk aan alle moeders, die op wat van manier ook hun kind moeten missen. Die geen tekeningen krijgen of beloftes over uitjes die nooit plaats gaan vinden, geschreven op een Hallmark-kaart. Die geen kindervoetjes horen sluipen op een veel te vroeg uur op zondag. Geen bloemen en geen knuffeltjes. De moeders die dromen van nog één keer kinder-hanenpootjes, vingerverf en wc-rol-kunstwerkjes. Nog één keer de geur van pasgewassen kinderharen, vloeken op de teringzooi in de slaapkamer of praten over zesjes-rapporten. Die moeders, die alles over hebben voor een minuut op een terras met ’s werelds slechtste bediening. Samen met hun kind. Nog één, één keer. Ik denk aan de mensen die hun moeder zijn verloren. Aan één vriend in het speciaal. Ik wilde dat ik een stukje moeder aan hem geven kon. Dat ik hem een eigen moeder knutsel van wc-rolletjes en die in een doosje doe. Dat dat hem dan zou helpen. Daar denk ik aan. Mijn eigen moedertje steekt ondertussen een sigaret op. Er staat een verboden te roken bordje op het tafeltje verderop. Ik kijk haar aan maar zeg haar niets. Ze zit er. Dat is het belangrijkst.

Ondertussen vecht David tegen de meedogenloze kankercellen in zijn kleine kinderlijf. Zijn moeder aait hem over zijn bolletje. Dit keer is hij er nog. Zit hij naast haar op de bank. Wrijft ze met haar zachte moederhanden zijn kinderharen in model. Nu kan het nog. Volgend jaar, of met geluk het jaar er op is deze dag één van de moeilijkste. Dan zijn de dranghekken verwijderd en is David recht het gat ingefietst. Nog nooit heb ik zo intens gehoopt dat er iemand niet ‘wat als we toch…’ gaat denken, dan de moeder van dappere David.

We zeggen niets maar denken alles. Mijn moedertje glimlacht en mijn zus glimlacht terug. We voelen alle drie hoe bijzonder dit moment is. Terwijl David vecht tegen de tumor, zijn vader tegen het gerecht… Vecht ik tegen de tranen en wordt er even niets gezegd.

RK