18 juni 2003 staat er op de bodem van de luchtverfrisser. Als je als 50+er geen lavendel luchtverfrisser of potpourri op je toilet hebt staan, dan heb je niet geleefd. Ik ken niet anders dan dat de paars gebloemde spuitelarij op het toilet bij mijn ouders staat. Al bijna vijftien jaar lang staat de spuitbus op dezelfde plek, op hetzelfde plankje, in hetzelfde hoekje. Iedere week wordt de flacon met liefde afgestoft en weer op zijn oude plekje teruggezet. In die vijftien jaar amper gebruikt maar onmisbaar. Kennelijk is de grote boodschap amper afgetopt met een vleugje bloem-odeur. Poepen in puurheid. In dit huis wordt niets gemaskeerd.

Wie zijn zelfverzekerdheid ook niet onder stoelen of banken schoof of maskeerde deze week, was Waylon. Ik heb zelden zo een innerlijke motivatie gevoeld iemand een klein lullig tikkie op z’n snuitje uit te delen. Eerst zet ‘ie alle journalisten in een hoek en later, na het hele Songfestival gebeuren gaf ‘ie een dusdanig arrogant interview dat mijn tapijt in de woonkamer krom trok. Kennelijk heeft Waylon geen verfrisser nodig, hij adoreert zijn eigen geur.

Het lijkt me heerlijk een luchtverfrisser voor mijn ego te hebben. Dat je zo nu en dan, in tijden van verdriet of onzekerheid, een beetje spray erover heen kan sprietsen en je weer een tijdje good to go bent. Heerlijk lijkt me dat. Dat niemand doorheeft dat er achter jouw deur best flinke shit schuil gaat.

Het is wel een lastig iets hoor, zo’n luchtverfrisser. Het is het angstvallig verdoezelen van de geur die ieder mens zo nu en dan wel ‘ns produceert. Wanneer je noodgedwongen die spray in je pasgewassen handjes pakt, dan heb je ‘m flink van jetje gegeven. Dan is zo’n beetje drollen-deo zo gek nog niet. Terwijl iedere gek weet dat wanneer je de wc-deur opentrekt en de geur van lavendel, lelietjes van dalen of ‘ocean’ je tegemoet komt, degene voor je flink zaken heeft zitten doen. Die heeft een fikse Kluivert te water gelaten. Het is ook buitengewoon rot die spray noodgedwongen in je handjes te pakken want je wéét dat diegene na je wéét wat jij hebt zitten doen. Sprays zijn om te maskeren, maar bij de eerste snuif verraden ze alles.

Dan stap je als gezellig gezin in Safaripark Beekse Bergen je autootje uit om een cheetaatje te aaien. Dat lijkt een buitengewoon goed idee omdat iedereen weet dat cheeta’s handtamme knuffelbeertjes zijn die geen vlieg kwaad doen en leven op lucht, water en gras. Dan dender je met je kleuter die heuvel op, op zoek naar zo een koddige poes. Die koddige poes blijkt toch wat vlotter dan je denkt en voor je het weet ga je viral het internet over. Niks geen knoppie om je shitzooi te maskeren. Het angstzweet breekt je uit als je zoiets op je af ziet komen. En het gezin zal zich ook vast rot zijn geschrokken. Ik stel voor het Cheeta-gezin een lesje biologie te geven en Waylon bij de cheeta’s de Suzuki uit te knikkeren volgend jaar. Alle problemen opgelost.

Af en toe krijg ik reacties op mijn column. Dat het weer nét op het (wc)randje was. Pittig taalgebruik. En dat is ook mooi. Wat is de mens zonder dat randje? Een ronddolend gezin in een afgesloten safari-auto. Dat moet je niet Waylon, -eh, willen. Je moet als een ware artiest de journalisten in een hoek trappen en als pedagogisch verantwoorde moeder je kleuter de heuvel op sleuren en een cheeta laten aaien. Over het randje! Leef een beetje! Pleur je luchtverfrisser in de kliko en wees trots op je eigen lucht.