‘Dan zet ik de wekker op 4 uur,’ legt hij uit, ‘en dan verzet ik de sproeiers. En dan weer naar bed, hè.’

Het is vrijdagavond en ik sta langs de lijn van het mooiste voetbalveld van Nederland. Dat zeggen de gras-goeroes tenminste, ik heb niet alle velden gezien. Klein Milanello. De grasmat bij SV Terwolde ligt er steevast als een biljartlaken bij. Bij mij thuis janken de geraniums van ellende en is het gras zo dor als de punten van mijn geblondeerde haar, maar in Terwolde verkeert de mat in blakende gezondheid. De geur van het verse gras gemixt met een lichte odeur van bier en kroketjes laat ieder voetbalhart uit de omgeving sneller kloppen. Als die geur in je snuffertje naar binnen kruipt weet je dat het tijd is. Tijd voor A4tjes in Arial getypte opstellingen, biertjes op de hoekjes van de velden en fantastisch onderbouwd commentaar vanaf alle locale kenners van de zijlijn. Het is zomerstop en dus is het tijd voor de oefenduels van onze Rood Gele jongens.

‘Dan kan ik daarna tenminste nog slapen,’ vertelt hij, ‘En dat drie keer in de week. En ja… Veel praten, hè. Fluisteren bijna.’
Ik sta te lullen met één van de grasmeesters. Ik vraag naar het geheim. Het geheim van de glorie van de gifgroene grasmat. Hoe het kan dat dat gras er optima forma bij ligt. Dat directeuren van nep-gras-fabriekjes jaloers zijn op de perfecte mat aan de IJssel. Dat als groen opnieuw uitgevonden moest worden, het de kleur van het veld in Terwolde zou zijn. Dat de noppen van de schoenen van de jonge voetballertjes kirren bij het aanraken van het perfect verzorgde gras. De grasmeesters glimlachen verlegen. Ze doen gewoon hun werk. Vrijwillig. Zonder borstklopperij of geneuzel. Ze werken bikkelhard om hun prachtige veld in blakende gezondheid tentoon te kunnen stellen aan het jonge elftal van Go Ahead Eagles. Aan de supporters. Aan de club. Al jarenlang. Sommigen waren al vrijwilliger toen de spits van de Eagles nog niet eens geboren was. Toen brillen met zonneklepjes nog hip waren en Abba in de top 40 stond. Zo lang weten de meesters van de mat het biljartlaken te bekoren. Vrijwillig.

Het is de tweede helft als ik met een biertje in mijn hand zie hoe er opstootjes ontstaan tussen de Adelaren en Excelsior. De scheids huppelt er als een volleerd ballerina omheen. Hij liet het spulletje het lekker zelf uit zoeken. Het opstootje wordt gesust maar na een minuut of drie begint het gehakketak opnieuw. Even lijkt het alsof ik niet naar een voetbalwedstrijd zit te loenzen maar naar een training van Rico Verhoeven. Matten op de magische mat van Terwolde. Wat er dan gebeurt is fenomenaal. Stegeman bedenkt zich niets en flikkert alle tien de tienerjongens uit het veld om een volledig nieuwe selectie op te stellen. Keepertje mocht blijven. Niks geen gemat. Wat zou Steeg hebben gezegd, in de kleedkamers? Zou ‘ie voor straf de mobieltjes af hebben gepakt? Hun moeder gebeld? Strafregels schrijven? Of krijgen ze een schouderklopje, omdat er eindelijk beleving heerst in het team? Voetballen jongens, niet vechten.

Ik zou Stegeman een tip willen geven. Ik zou de hele selectie een weekje mee laten draaien met de grasmeesters van Terwolde. Wekkertje op 4 uur, sproeien en weer lekker onder de wol. En dan niet drie, maar zeven dagen in de week. Ze zouden moeten lullen totdat het gras groener is dan ooit te voren en ze zouden liefkozend met harkjes hun eigen mat netjes moeten maken. Vrijwillig. Dan weten de jonge adelaren pas, wat échte liefde en passie is. Wat écht matten is.