De trein rijdt niet en daarom moet ik met een bus naar de grote stad. In NS bussen ontstaat magie. Binnen een paar minuten zijn de mensen die normaliter als stoïcijns kauwend vee naar hun mobieltje zitten te staren, heftig met elkaar in gesprek. De bus zorgt voor een schoolreisje-gevoel en laat dat nou net één van mijn lievelings-gevoeltjes zijn. Of het komt door een olijk kirrende buschauffeur door de intercom, het passen en meten met de beentjes tussen de stoeltjes of de Radio 10 Gold muziek op de achtergrond… Er hangt een jolige stemming in de bus. Onderweg neurie ik vrolijk liedjes mee en ik vraag of de dame naast me ook een snoepje wil. Als we aankomen op station Amersfoort wil ik bukken zodat de mensen denken dat de bus leeg is. Als het meisje naast me na een seconde of twintig, terwijl ik met m’n kop tussen m’n benen hang, vraagt of het wel goed met me gaat, besef ik me dat ik wellicht iets te enthousiast was.

Maar ik kan wel wat olijkheid gebruiken. Ik ga niet zo lekker de laatste tijd. Ik mag niet meer op mijn paard rijden omdat hij erbij loopt als een dronken pensionado en ik heb vorige week moeten besluiten mijn poes een enkele reis kattenparadijs te geven. Ze had een tumor en behalve dat dat rijmt op humor is daar niets leuks aan. Blije pretletter als ik ben probeer ik altijd te blijven lachen, maar sinds Bassie en Adriaan hun pakken in de wilgen hebben gehangen is die leus de laatste weken niet echt op mijn zonnebank-bruine kadavertje geschreven. Dan doet zo’n nep schoolreisje met gesnorde buschauffeur en gouwe ouwe muziek je goed.

Muziek is naast humor namelijk ook één van de remedies tegen mijn (dooie) katers. Het schijnt dat ik een buitengewoon bijzondere muzieksmaak heb. Ik luister K3, Bach en Mental Theo, het liefst allemaal door elkaar. Dat vinden mensen gek. Als ik een poging doe mezelf in sportkleren te hijsen om te gaan rennen, zet ik dusdanig harde hardstyle op dat alleen de basgolven me al naar de weg over tetteren en als ik wil dansen zet ik K3 of jaren ’80 muziek op. Ben ik sip, draai ik Mozart en als ik douche zing ik mee met Abba. Of Starship. Of Meat Loaf. En dat schijnt gek te zijn. Veel mensen draaien steevast dezelfde soort muziek. Ik vind dat dan weer gek. Je eet toch ook niet elke dag hetzelfde? Je hebt toch niet één paar kleding? Bij iedere gemoedstoestand een ander muziekje, dan leef je pas echt. Behalve de poes dan.

Dat het paard niet helemaal goed was, wist ik al een tijdje. Hij loopt alsof ‘ie ome Jonge Jenever iets teveel tikkies gegeven heeft. Hij is er niet ongezelliger op geworden. Maar de poes kwam onverwachts. Ze was al een tijdje wat sip en na een week of twee besloot ik dat het tijd was om naar de dierenarts te gaan. Even een kort APK’tje. Poes in kooi en op naar de kliniek. Drie kwartier later ging ik met kooi maar zonder poes weer huiswaarts. Met de mascara (alweer) op mijn knieën en liters stromende tranen kwam ik een illusie én een kat armer thuis.

De enige remedie is op dat moment ‘Best of 80’s’. Of K3. Die chicks zingen over Liefdeskapiteinen en Teleromeo’s. Voor heel even geloof ik dan dat het leven écht zo simpel, in hysterische kleuren gehuld kan zijn. Met regenboogrokjes en guitig groen gras. Met pratende biggen en vissen die bluppen. Dat geloof ik dan. Maar de échte painkiller onder de muziek is muziek uit de 80’s. De jaren ’80 begrijpen hoe het is om álles of niets te voelen. Waar Dua Lipa nu lafjes zingt over ‘One kiss is all it takes’, gaat het in de liedjes uit de 80’s er veel heftiger aan toe. Alles of niets. Krachtige statements en exploderende gevoelens knallen je speakers uit. Hartverscheurende liefdes en refreinen die uit de tenen van de zangers lijken te komen. Ik hou daar van. Als ik een liedje was, was ik een hit uit de 80’s. Of ik was het bukmoment van het schoolreisje. Volgende week weer een grappige column. Met krachtige statements en humor, wat rijmt op…