De boeren. De filerijders. De Appie-medewerkers en klanten. De donkere medemens. De niet-donkere medemens. De zorgmedewerkers. De ondernemers. De medewerkers van grote bedrijven. De moeders, vaders, zonen en dochters. De oudjes. Iedereen is mieterig.

Er is één groep die je niet hoort. De kinderen. De kinderen vinden niks, willen geen punt maken, harrewarren niet over ‘wat als’-jes of ‘stel nou dat’-jes. Maken zich niet druk of de verre vakanties dit jaar wel door gaan, prenten zichzelf nog niks in hun kleine kinderharses. Ze zijn hellig omdat er geen pindakaas op het brood zit. Giftig omdat papa alleen maar op zijn telefoon zit. Verdrietig omdat het konijn dood is.

Ondertussen maken superverstandige volwassenen ze duizenden bere-belangrijke levenslessen wijs. Dat je veel geld moet verdienen. Altijd netjes naar school moet. Dat het pas vakantie is als er een duur zwembad en een hotel bij is en dat melk en vlees uit de fabriek komt. We vertellen ze deftig dat je hoofd belangrijker is dan je hart. Je gedachten bepalen! Die moet je volgen. Je moet doen wat juist is en niet wat goed voelt. We leren ze dat je geen gekke kleren aan mag doen en je niet teveel moet opvallen. Luisteren naar de meester en altijd goed je best doen. Niet janken. Ook als het niet gaat! Dóórgaan! Altijd doorgaan.

Na de school studeren en daarna een goede baan zoeken. Dat is belangrijk! Een goede baan. Veel belangrijker dan intrinsieke blijdschap bekoekeloeren. Alle geveinsde glimlachen leggen we vast en flikkeren we op social media. De foto’s zijn blij. Neppie maar happy. We behangen onze levens leuk. De commentaren moeten boos. Bozer dan boos. Als volwassene moet je namelijk overal wat van vinden en jezelf ontzettend achtergesteld voelen. Dat hoort er nou eenmaal bij. Dat zet je dan op internet als een reactie. Daar focus je je dan op. Niet waar kaas, melk of vlees vandaan komt. Die waarheid is als een koe, maar veel te confronterend. Focussen op wat je wíl zien. Verbolgen grommen. Op je 40e compleet uitgeblust de weg kwijt zijn. Dat is het leven!

Mijn pleidooi had een kwartier geduurd en het jongetje zucht.
‘Ik word maar nooit volwassen,’ mompelt hij, ‘ik word boer.’
‘Ik ook niet, jongen,’ glimlach ik, ‘ik ook niet.’