Huisgenoot en ik zitten middenin de keuken tussen een berg glanzend papier. Je ruikt de vers gedrukte inkt. Ik vouw de folders als ware krantenjongen één voor één uit elkaar en leg ze soort bij soort. In mijn geval: kleurtjes die een beetje leuk bij elkaar staan. Ik heb geen flauw idee wat we aan het doen zijn maar voor de zogeheten morele support zit ik als een volleerde ICT’er mee te fronsen als het om MBIT’s en GIGABYTE per seconde gaat. Ik moet bij MBIT vooral denken aan paardrijden, maar dat zal mijn eigen tekortkoming zijn.

Huisgenoot en ik zitten Glasvezel-gate door te nemen. Aangezien ik net zo veel verstand heb van (snel) internet als van de voortplanting van regenwormen hebben we besloten taak Glasvezel door huisgenoot te laten volbrengen.

Afgelopen vrijdag was het D-day want er moesten minstens 50% van de prairie-gangers zich hebben aangemeld, anders ging het hele vezel-feest niet door. Waar ik me vreselijk om heb verbaasd is het aantal folders dat werd verspreid. Wellicht waren de providers bang dat met het huidige internet een emailtje pas tegen Kerst 2021 aan zou komen, maar allemachtig, wat een papier-tsunami. Iedere dag kwam de krantenjongen weer met een kilo of twintig folders aangezeuld. De brievenbus hangt inmiddels uit het lood en de papierbak staat op knappen. Stapels volgepropte enveloppen en met glans afgewerkte brochures werden door de spreekwoordelijke strot, of in dit geval brievenbusgleuf geduwd. Van het geld van alle kosten van het bedenken, typen, vormgeven, drukken en verspreiden van die achterlijke aantallen Glasvezel-folders kon al 50% van de kabel aangelegd worden. Wat ik je brom. Ik begrijp dat je wil informeren, maar door al die honderdduizend woorden en plaatjes internet-info en bytes-brochures zag ik door de brochures het vezel niet meer.

Het is vrijdag als ik me betrap op juichen. Juichen omdat er ‘eindelijk’ glasvezel komt. Schitterend. Ik heb geen idee waarvoor ik nou eigenlijk kir en had er tot een paar maanden geleden geen seconde wakker van gelegen. Geen (glas)vezel in mijn lijf die smachtte naar snellere bits per seconde. Maar nu joel ik omdat we sneller internet krijgen. Eindelijk. We nog rapper kunnen mailen, Linken, appen… Ik maakte gekscherend grapjes dat ik niet wist wat surfen betekende en geen idee had wat Facebook was. Mensen verwelkomen me in de 21e eeuw en vertellen me wat YouTube is. Ik laat me meeslepen in de mode dat het hoger, sneller, harder moet. Terwijl, wanneer ik mensen uit de stad op bezoek krijg, ze juist de rust van het platteland zo kunnen waarderen. Zij vluchten uit de snelheid van het wereld wijde web om zich terug te trekken op een plek waar er nog écht met elkaar gepraat wordt. Waar dieren zijn. Gras. Er aandacht is. En tijd. Tijd om te wachten op het traagste internet van de wereld.

Ik juich omdat ik mee mag doen in de 21e eeuw. Langzaam slof ik naar het dierenhok. Het mag geen kippenhok meer heten want ondertussen zit er een allegaartje aan afgedankt dierenspul.
‘We krijgen glasvezel, jongens,’ fluister ik en zestien kraaloogjes kijken me aan. Ze worden er niet warm of koud van. Ze sturen geen appjes. Ze videobellen met niemand en kennen geen Insta followers. Het enige wat ze volgen is de zon en hun instinct. Het hoeft niet sneller. Laat de tijd maar langzaam gaan. Dan kunnen ze elkaar en het leven nog beter in zich opnemen. Laat het allemaal toch langzamer gaan, dan staan we nog eens stil. Bij tijd. En bij elkaar. Dan doet het er niet toe of je rappe MBIT’s hebt of supersnelle streams. Tijdloos even stilstaan, met elke (glas)vezel in je lijf.