‘Men moet aan de oorlogsslachtoffers van de WO2 denken tijdens de dodenherdenking. Het is goddomme nog geen eeuw geleden!’ Tegenwoordig wordt alles al dan niet terecht bediscussieerd, zo ook het herdenken van overledenen moet heroverwogen worden na het idee ook vluchtelingen een klein hoekje podium te geven tijdens de twee minuten stilte.

In groep 5 zat ik bij Ollie in de klas. Ollie was 9 en had leukemie. Samen met twee vriendinnetjes ging ik in het eindstadium bij hem langs. We herkenden hem amper: zijn ooit zo volle sproetenkop was nu bleek en zijn wilde bos krullen uitgevallen. Terwijl we praatten over niks bracht de moeder van Ollie ons chocoladekoekjes. Ollies lievelingskoekjes, hij at ze niet per stuk maar per 9. ‘Koekjes moet je eten naar je leeftijd,’ was zijn motto. Ollie wilde nu geen koekje, want dan zou hij moeten kotsen. Zes dagen na ons bezoek overleed hij.

Tijdens de begrafenis was er een plek gemaakt voor onze klas. Omdat ik zo mooi kon voorlezen moest ik van juf Polman een gedicht maken en voorlezen. Ik hoefde niet zenuwachtig te zijn maar ik moest het ook vooral niet verprutsen. Het was speciaal voor Ollie. Vooraf heb ik in de hal van de aula in een plantenbak gekotst. Ik had geen chocoladekoekjes gegeten.

Hetzelfde gebeurde toen mijn oma overleed. Toen was ik twintig. Voor haar ook een gedicht, over fietsen, want dat deed ze graag. Voorlezen. En een plantenbak.

Inmiddels ben ik 27. Ieder jaar op 4 mei, klokslag 20:00 uur, houd ik me twee minuten stil en sluit mijn ogen. Voor me staan pelotons paarden, soldaten, zusters, officiers, Joden met gele sterren, verzetsstrijders. Allemaal in zwart-wit. Ik zie hakenkruizen en hoor Duitse teksten. Ik knik ongemakkelijk en er glijdt een traan over mijn wangen. De figuren uit het zwart-wit portret knikken terug.

Dan, na een minuut, verschijnt te midden van de drommen mensen een jongetje. Verlegen piept zijn armpje langs de benen van een vrouw met een jas met jodenster. Een lange officier pakt de hand van het jongetje en zet hem voor de groep zwart-wit mensen. De groep maakt plaats en stapt naar de zijkant van het toneel. Het jongetje staat in kleur te stralen in het midden van het beeld. Zijn sproetenkop oogt olijk. Zijn mondhoeken verraden chocoladekoekjes. Het jongetje knikt, ik knik terug. Het jongetje draait zich om en haalt verscheidene mensen naar voren. Oma. Op haar fietsje rijdt ze rondjes. Een vroegere vriend, die lachend een sigaret op steekt. Max, mijn oude hond en twee vroegere buren. Eén voor één haalt het jongetje mensen in kleur naar voren die zich mengen met de oorlogsfiguren in zwart-wit. Ze knikken allemaal.

Na een seconde of 100 stapt het kleine jongetje naar voren en reikt me een chocoladekoekje aan. Wanneer ik het aan wil pakken klinkt een trompet. ‘Tot volgend jaar,’ snik ik nog. ‘Tot volgend jaar!’ roepen de zwarte, witte en gekleurde figuren terug. (Her)denken kan je niet bepalen.
RK