Op het toilet hangt een tegeltje.
‘Aerodynamisch gezien kan een hommel niet vliegen. Maarja. Dat weet de hommel niet. Dus vliegt hij wel.’

Iedereen is een hommel. We vinden het lastig om naar onszelf te kijken en objectief te zien wat we kunnen en doen. Als de hommel wèl een lullig zakspiegeltje had en zag dat hij een veel te lomp kadaver heeft om mee op te stijgen; zou ‘ie het dan toch doen? Of zou hij nadenken over andere manieren van bewegen? Zou ‘ie uitsterven omdat hij opgeeft?

En als de hommel niet naar zichzelf kan kijken, maar anderen hem vertellen over zijn dikke torso? Dat ‘ie eigenlijk niet kan vliegen? Neemt ‘ie het aan? Wordt ‘ie kwaad, omdat hij dacht het vederlichte lichaam van een sprinkhaan te hebben?

We hebben allemaal een dik apparaat met vooroordelen. Aangeleerd door ouders. Omgeving. Situaties. Onbewust èn bewust. De vraag is wat er gebeurt als de hommel in de voorgehouden spiegel kijkt. Ontkenning? Erkenning? Het erkennen hoeft niet te zeggen dat het bewust of fout is. Het geeft aan dat we zíen wat de ander ziet. Dat we het kunnen bekijken. Bespreken. Erover lullen.

Zat met wat vrienden in het café en het spulletje was nogal verdeeld over de uitspraken van Johan Derksen. Jopie vergeleek Akwasi met Zwarte Piet. Het was onschuldig. Moest kunnen – leuk grappie. En het klopt. Humor moet kunnen. Echter in een tijd van revolutie (want dat is het) is het handiger om dat onderwerp even een beetje aan de kant te moffelen. Er zijn honderden andere geinige gebbetjes die je laten gieren.

De discussie in het café werd feller. Ik vergeleek racisme-gate met vrouwenstemrecht. Dat was totaal iets anders, volgens drie vrienden. Ik denk nog steeds van niet. Voor 1919, het jaar waarin de dames ook stemrecht kregen in Nederland, was het doodnormaal dat meisjes niet mee mochten doen. ‘Dat was nou eenmaal zo!’. De hommels wisten niet beter. Inmiddels wel. Zelfde geldt voor racisme, feminisme en alle andere larie wat we onszelf per ongeluk hebben ingeprent. ‘Je moet het niet zo zwart-wit zien,’ mompelt een vriend. We grinniken. Stelletje kloothommels.