Ik ben zo’n trut die pas naar een specialist gaat als het te laat is. Dokter? Alleen met 40 graden koorts of verlammingsverschijnselen. Fysio? Is voor aanstellerig gepeupel zonder gezond doorzettingsvermogen. Tandarts? Enkel als de pijn dusdanig niet te trekken is dat een driedubbele dosis ibuprofen wegkauwen onvoldoende is. Ik heb het er niet zo mee.

Toeval wil dat ik mezelf dit jaar gezworen had wat beter voor m’n motorblokje te zorgen en dus ook wat vaker voor controle naar de tandarts zou gaan. Nadat ik me aan mijn tandentovenaar opnieuw had voorgesteld en ze de gebits-APK had volbracht werd me met klem verzocht contact te zoeken met een, komt ‘ie: mondhygiëniste. Voor iemand die fysio’s al sneu vindt is een mondhygiëniste next level. Beetje de lieflijke interieurverzorgsters onder de tandheelkundigen. Maar goed, ik dat mens na een maand of vier maar eens gebeld. Ik mocht langskomen.

Een potsierlijke dame opent de deur en begint vervolgens zelf de bekende open deurtjes in te zetten. Of ik het makkelijk heb kunnen vinden. Of ik al eens eerder bij een mondhygiëniste was geweest. Mien Dobbelsteen vuurde vragen op me af alsof ik in Zomergasten terecht gekomen was.

Of ik even lekker wilde zitten in de stoel. Ze giechelt dat de stoel best ver naar beneden kan en dat ik daar vooral niet van moet schrikken. Vraag me af of er in het volledige bestaan van verstelbare stoelen zich iemand wel eens een rolberoerte is geschrokken omdat het ding met het tempo van een schildpad zonder haast naar boven of naar beneden glijdt.

‘Dan gaan we nu even kijken,’ neuriet ze. Ik gooi m’n schuur open en ze prikt met een mini-hooivork langs m’n tanden. Ze kijkt ernstig. Na wat pijnlijk gepoer mag ik m’n giechel weer sluiten en moet ik niet schrikken, want ze zet de stoel weer even rechtop. Goed dat ze het zegt en ik schrik niet. Als ik rechtop zit begint het vragenvuur waar ik me al een dag op aan het voorbereiden ben. Ik voel me als een vegetariër met een Big Mac menu met extra bacon: betrapt en knetterschuldig. Ik zou op alle vragen die ze nu ging stellen met het schaamrood op mijn kaken ja moeten antwoorden. ‘Rookt u, m’vrouw Kruitbosch? Drinkt u? Rode wijn? Koffie? Cola light?’ Inmiddels nekpijn van het knikken. ‘Tsja… En flossen en tanden ragen doet u zeker niet met regelmaat? U poetst wel buitengewoon goed, zie ik.’ Goede inschatting van Mien Tandsteen, ik doe niets met regelmaat. Ze pakt een boekje met het woord Parodontitis op de voorkant. Ze legt uit dat alles wat eindigt op ‘ietis’ ontsteking betekent. Het grapje over ‘nietes!’ heb ik maar niet gemaakt. Ze legt me zaken uit over tandsteen, roken, weerstand, tandvlees, roken, reiniging, roken, afsterven, roken, tanden die uitvallen, roken, nabehandeling en complicaties. Waar ik een kwartier geleden huppelend en met grote en naar mijn insziens schone bek het pand in kwam wil ik nu met m’n worstenvingers al m’n tanden in m’n gebit vasthouden. Mien vindt de situatie ernstig en er is behandeling nodig. ‘Het komt wel goed hoor, m’vrouw Kruitbosch. Alleen dat roken, hè… Wist u dat met één sigaret het aantal vitamines van TWIN-TIG sinaasappels vernietigd?’ ‘Dat scheelt, want ik eet geen sinaasappels,’ knipoog ik. Mien lacht haar met chloor gebleekte tanden bloot.
Vanaf november mag ik in behandeling bij Mien. Na alle dreigingen van kiezen-uitvallerij vraag ik voor de zekerheid of tot die tijd mijn kaken op elkaar moet houden. ‘In uw beroep lijkt me dat wat lastig…’ antwoordt ze. ‘Hoe ernstig is het?’ vraag ik.

‘U krijgt heel wat voor uw kiezen,’ zucht ze.