Gewapend met een plank met daarop getimmerd een guitig tweepersoonsbankje ga ik op pad. Met twee joekels van kettingen en een pikhouweel arriveer ik op de stal waar mijn paard staat. Iedere maand betaal ik om hem te laten vertoeven in het meest luxueuze oord wat een paard zich wensen kan, en ik vind dat het tijd wordt dat meneer maar eens gaat werken voor zijn geld. Noem het een stukje opvoeding.

 

In de stal aangekomen gooi ik de plank met bank op mijn paard zijn rug en met een sleepkabel ruk ik het zorgvuldig om zijn buik. Die bebloede striemen moffel ik wel weg met een olijk kleedje. De achterkant van de tweezitsbank knoop ik met een nylontouw aan zijn staart. Safety first. Kettingen om beide pootjes en aan de slag. In mijn linkerhand houd ik een pikhouweel vast, voor het geval het beest een stap verkeerd doet. Dan ros ik met de scherpe kant op zijn kop. Moet ‘ie maar een beetje nadenken. Dertig minuutjes voor honderd euro leek me een prachtig businessmodel. Twintig ritjes per dag en juffie Kruitbosch is binnen. Als ik zijn voer halveer en hem dag en nacht in plaats van op stro op een stenen vloer laat staan, scheelt dat ook in de kosten. Met de nadruk op staan, want de huur van een stal heb ik opgezegd. Vier hekken en een ketting om een boom is meer dan genoeg.

 

Dan komen er klanten en die kunnen dan op het keiharde plank-bankje plaatsnemen. Die betalen mij dan keurig de centjes en ik rijd ze een paar rondjes door de rimboe van Beemte-Broekland. Daarna neem ik een vrolijk fotootje waar ik dan 20 euro voor vraag. Die kunnen de mensen dan leuk op Facebook plaatsen. Voordat de toeristen plaatsnemen ros ik nog even met de pikhouweel op z’n harses. Voor het geval dat. ‘Geweldig in Beemte Broekland, aanrader!’ zullen de er bij zetten. En daar gaan dan familie en vrienden op reageren met duimpjes en reacties. ‘Heerlijk, Henk en Judith, geniet er nog lekker van! Ziet er fantastisch uit!’, ‘Wauw, ik wil ook!’ en ‘Wat gaaf, op zo’n wild dier!’ zullen ze typen. Ik zou kirren van geluk tijdens het geld tellen.

 

Ik laat de plank met het bankje ook ’s nachts op zijn rug zitten. Dat gedoe in de ochtend, ik ben al niet zo’n ochtendmens en die kabels kunnen maar beter een beetje in de huid groeien. Dan bloedt het ook niet zo. Drie glitterkleedjes heb ik voor onder het bankje. Tijdens de kerstdagen doe ik dan een rode met balletjes en in de zomer een knalgele met pailletjes, dat vinden de mensen énig.

 

Oh, en ik ga fokken. En wanneer de merrie het veulentje heeft geworpen, knoop ik die vast met een kneuterig kettinkje aan zijn moeder. Vinden de toeristen ook énig en dan leert ‘ie het meteen. Dan moet ‘ie die veertien uur per dag maar gewoon meehuppelen, alles voor de business en de Beemte Broeklandse toerist.

 

Inmiddels heeft denk ik de helft van mijn column-lezers ofwel de Dierenbescherming, ofwel het gesticht gebeld. Zoiets doe je niet. Inderdaad, zoiets doe ik niet. In Azië is het echter het lot van 2000 olifanten. De hele scène die ik net beschreef komt niet uit mijn eigen krankzinnige koker, maar is voor twee-dui-zend olifanten per dag de verschrikkelijke werkelijkheid. De toeristen maar zwaaien. En de olifanten maar huilen. De olifanten-toerist: de pikhouweel op een olifantenhuid.

RK