‘Dankjewel. Voor alle eerste keren,’ fluister ik. Ik geef een laatste aai en ik draai om. Ogen nat.
De geur van nieuw rubber in de winkel troost me niet. Ik veeg mijn voeten bij het naar buiten gaan, alsof ik de tranen aan de mat wil afvegen.

2002. ‘Kijk ‘ns Rens. Voor jou,’ en pap drukte een kus op m’n blonde tienerkop. In de schuur stond een gitzwarte, ouderwetse omafiets. Het zadel op de laagste stand en het spatlap moest er nog aan worden gemaakt. Zelden was ik in mijn afgelopen 13 levensjaren, zo verguld geweest.  Een fonkelnieuwe fiets, voor mij alleen.

‘Dit wordt een duur geintje,’ begint de fietsenmaker. ‘Dit is een oudje. Veel roest ook,’ en ik hoor hem dingen zeggen over de naaf, wielkasten en niet-lang-meer-meegaan.
‘Deze fietsen zie ik niet vaak meer. Oldtimertje! Maar einde oefening, vrees ik,’ mompelt hij.

De eerste rit op de gitzwarte fiets was naar de middelbare school. Vanuit Twello, de fietsbrug over. Na dat tokkel-tochtje begreep ik de opmerking ‘op een ouwe fiets moet je het leren,’ niet. Ik leerde en onderging alles op mijn nieuwe fiets. De eerste ritten naar school. De pesterijen, de tussenuren naar de Hefti supermarkt. De zure regen. Dansles. De eerste dronkemansritjes. De stapavonden naar Dorpshuis de Arend of naar Pampus. Het balen van dat kut-VWO. De voorzichtige, verliefde kussen op de afscheids-rotondes.

De gitzwarte fiets karde me mijn jeugdige leven door. Als vrijwel enige vaste constante. Hij zag alles. Hij stond ontelbare keren trouw te wachten, na een nacht overblijven in de stad of bij het kwijtraken van een fietssleutel. De fiets voelde mijn zenuwachtige, knikkende knietjes voor examens, verliefde, overmoedige kuiten na een kermis-kus en verdrietige, slappe poten na een afwijzing of pesterij. De fiets was voor mij onzichtbaar maar ging met elk uitje, in elke fase, mee. Tot een maand terug slingerde ik luid zingend door de landerijen. Het fietsen brengt het kind in mij naar boven. De tiener. De pret. Het balen van het weer of geluk hebben met zon. Op de fiets ben je kwetsbaar, net als in je tienerjaren.

‘Ik adviseer een nieuwe aan te schaffen. Eén van aluminium. Lekker licht, weet je wel. Misschien wel een elektrische?’ zegt de fietsenmaker.
Bij het woord elektrisch wil ik mijn handen op de oren van mijn ouwe opoe-tweewieler leggen. Elektrisch. Ik mag dan bijna dertig worden, dat elektrische tokkelen krijg je me niet aan.

Het is niet de fiets an sich die tranen doet vloeien, het zijn de onbewuste, schitterende anekdotes en momenten die er mee gepaard gaan. Vorige week liet ik herinneringen aan het tienerkind in mij, achter bij de fietsenmaker. Het is mijn jeugd, die door de ijzerboer werd opgehaald.

In de schuur staat nu een bordeauxrode omafiets. Zelden ben ik in mijn afgelopen jaren, zo verguld geweest. Het verdriet om het wegdoen van het oude barrel, maakt plaats voor blijdschap voor de nieuwe. Deze fiets. Voor mij alleen. Misschien staat het symbool voor de periode die voor me ligt. Weg met dat onzekere meisje op de gitzwarte Gazelle. Maar laat in gódsnaam die jeugdige pret blijven.