‘Pak meer!’
‘Ja, doe ik!’
Ik lig op mijn rug in de sneeuw. Sneeuwengelen maken. De sneeuw voelt koud, ik ruik haardvuur in de verte en mijn snot is zout. Ik heb mijn wollen muts op en mijn kriebelsjaal om. Twee vriendinnen zijn bezig hun namen in de witte deken te tekenen en drie vrienden bouwen een sneeuwpop. Vriend vier is bezig met een vuurpeloton sneeuwballen stapelen, vriend vier is graag voorbereid. We moeten meer sneeuw pakken, zodat we onze ballen als soepballetjes kunnen prepareren voor de winterse smijt-oorlog. Zo zijn we met zeven volwassen mensen, in het begin van de avond, ons als kinderen aan het uitsloven. We vergeten werk, tijd en geld. We lachen ons spierpijn en kirren en joelen.

‘Pak meer!’
‘Ja, doe ik!’
De buurjongen gromt en krabt zijn ruiten. Gisteren werd hij 32 jaar. Hij heeft de auto al gestart en de motor ronkt. De blauwe kringen benzine uitstoot trotseren de koude lucht. Buurjongen is boos. Hij haat sneeuw. Het ligt in zijn weg. Het laat hem uitglijden. Het is onvoorspelbaar, het kost tijd, het is koud en er is file. Heel veel file. De moeder van de buurjongen veegt met haar mouw de sneeuw van het dak van zijn Opel Corsa. Ook zij heeft het koud. Ze moet meer sneeuw pakken, maar haar vingers zijn gevoelsmatig al bevroren. De jongen krabt de laatste ijsrestjes van zijn linker raam en stapt in. De auto gromt de straat in. De buurjongen gromt harder.

‘Pak meer!’
‘Ja, doe ik!’
Ik ren naar binnen en veeg mijn voeten niet. Ik moet meer drinken pakken, want we hebben allemaal dorst. Vriend één komt met een sneeuwschep op me afgerend en gooit de gang vol witte vlokken. Vriend twee maakt met zwarte kool de knoopjes van de sneeuwpop af en de vriendinnen trekken de slee van de zolder. We rennen met zijn allen de heuvel op en gieren van het lachen. Ik moet plassen en vriend vier heeft zin in chocomel. Ik gooi een sneeuwbal naar vriendin en struikel over een boomstronk. Met mijn gezicht val ik vol in het witte laken.

‘Pak meer!’
‘Ja, doe ik!’
De buurjongen loopt met een emmer zout in zijn linkerhand over de stoep. Hij strooit zijn straatje schoon. Het kleine buurmeisje komt met rode konen langs op haar hagelnieuwe slee. De slee hapert. De buurjongen strooit nog wat extra zout op het trottoir en in de wond van het meisje. Hij glimlacht. Hij zegt het kleine grietje dat sneeuw rot is. Dat je er door uitglijdt, en je daarom zout moet strooien. Het kleine meisje tilt haar slee op, stapt de passen die het huis lang is over de sneeuwvrije stoep en legt daarna de slee weer op de witte deken. De buurjongen roept naar zijn moeder dat ze meer zout moet pakken. De stoep moet schoner. Zeker tot aan huisnummer veertien.

Het is bijzonder wat een fenomeen als sneeuw met mensen doet. De één ziet er de pret van in, laat het leven los en laat zich grijpen, pakken door het wonderlijk tafereel. De ander ervaart enkel kou en overlast. Het moet zo snel als het kwam weer weg. Het staat het vlotte, vlakke, stroeve leven in de weg. Terwijl op glad ijs bevinden, soms zulke pret kan opleveren. Je kunt plat op je bek gaan, maar ook fantastisch ver glijden. Maak pret. Pak je kinderhart en ga op pad. Pak meer sneeuw. Pak meer tijd om te spelen. Schaats, ren, ga op je bek. Laat dat zout toch zitten. Het zal een pak van je hart zijn.

Www.renskekruitbosch.nl   :