Hij likt aan de schuimkraag van zijn biertje. Met zijn wijsvinger veegt hij over zijn wang. Wegpinken dekt de lading niet, er komen zeeën tranen. Vriend  M. is verdrietig en niet zo’n beetje ook.
‘De mooiste vruchten hangen het hoogst,’ gooit vriend D. ongemakkelijk in de strijd.
Vriend M. heeft liefdesverdriet dus we zitten in het café. We zuipen zijn vlinders lam.
‘Soms moet je wachten. Tot ze vallen. Die vruchten,’ vervolgt vriend D.

‘Als ze van de boom afpleuren zijn die vruchten bont en blauw,’ snottert M, ‘dan heb je er niks meer aan. Zij is prachtig. Ze is de mooiste en hoogste appel van de boom. Echt.’
Ze is inderdaad prachtig. Te mooi voor appeltaart.
‘Of je moet goed aan de boom schudden en haar vangen, voordat ze de grond raakt,’ mompel ik.

Vruchten die naar beneden zijn gesodemieterd. Die dáchten hun liefde te hebben gevonden, of juist te lang hebben gewacht op de ware. Beurs liggen ze op de grond, tot iemand ze komt oprapen. Ik schuur inmiddels tegen de 30 aan en zie steeds meer beurse appels. Die gescheiden zijn. Of sceptisch in de liefde. Die hun eigen appel beflikkeren of in een ongelukkig huwelijk zitten. De appeltaart smaakte nog nooit zo bitter. Allen op zoek naar iemand die hun beurse plekje er liefdevol uit wil hollen.

‘Wil je een tip?’ vriend D. is eigenlijk nooit zo van het tippen.
‘Snoeihard aan de boom blijven schudden, totdat ze loslaat. Of een ladder pakken en er naartoe klimmen. Je best doen. Stel etentjes voor, uitjes, borreltjes. Stuur bloemen. Je hebt niets te verliezen,’ en vriend D. zet een extra neutje voor ons neer.
D. spreekt zelden adequaat dus geloven doen we hem meteen.

We mijmeren alle drie. In het café meester maar in de liefde bleu. D. heeft gelijk. We hebben niets te verliezen. Veel te vaak lonken we alleen en vergeten we te schudden of een ladder te pakken. Wij zijn vruchten. Voor een ander. Ook wij hangen ergens in de takken-rang. Voor de één zijn we een glimmende Elstar, voor de ander zijn we een verboden vrucht en soms hangen we zelfs uit het zicht.

Voor mij was columnist en cabaretier worden een hemelshoog hangende vrucht. Glimmend en ongrijpbaar. Ooit pakte ik mijn ladder, zonder dat ik wist hoe hoog de appel hing. Ik begon gewoon met klimmen. Tree voor tree. Hopen dat iemand de ladder ietsje vast hield en ik niet naar beneden zou vallen. Ik schrijf precies een jaar voor de Stedendriehoek en daar ben ik beretrots op. Elke week een pennevrucht van mij in de krant. Ik hoop van harte dat mijn columns, voor u als lezer, hoog in de boom hangen.