Sinds een jaar zit ik op de Schrijversvakschool. Om aangenomen te worden moet je auditie doen en die auditie kwam ik verrassend genoeg door. Blij als ik was ben ik begonnen. Als meisje uit het verre Terwolde trotseerde ik de (vaak vertraagde) weg naar Amsterdam. De grote stad. Ik kon er alleen van dromen. Tijdens dit jaar heb ik fantastisch inspirerende mensen mogen ontmoeten, leraren gehaat en vergafgod, kritiek gekregen en complimenten gevangen. Iedere zaterdagochtend ‘mocht’ ik weer naar de school waar alleen letters, zinnen en verbeelding er toe deden. Ik was búiten zinnen.

Huizenhoog keek ik op tegen mijn klasgenoten. Ze lazen boeken, wat zeg ik: pillen, wisten elke auteur te benoemen en waren meer verbonden met letters dan Hans Klok met zijn windmachine. Totaal blown away verliet ik iedere week de lessen. Wat waren deze mensen goed en wat had ik veel te leren. Leren deed ik. Veel en soms met tranen. Die mijn fout geschreven woorden of goedbedoelde zinspelingen deden vlekken. De passie die ik had en heb werd onder een loep gelegd. Het is alsof je newborn baby ‘lelijk’ genoemd wordt: het raakt maar ergens weet je dat het waar is. Het is ook niet de mooiste baby ooit geboren.

Toen ik een week of twee geleden in de sprinter van Deventer naar Twello zat, kreeg ik een ingeving. Ineens had ik het: ik ben geen intercity. Intercity’s, die lange afstanden rijden en mooie coupés hebben. Die comfortabel en ruim zijn. Die toiletten hebben en catering aan boord. Al dat ben ik niet. Geen lange afstand schaatser en ik ren geen marathons.

Ik ben de sprinter die tussen elke vergeten plek reist. De sprinter met de harde stoeltjes en de conducteur die lieflijk wuift in plaats van kaartjes controleert. De sprinter die je vervloekt als je op verre afstand ergens moet zijn. Die op elk station stopt om vervolgens weer aan te zetten. Tot volgend afgelegen dorp met één station. Waar het met tien reizigers fenomenaal druk is. De sprinter die dicht bij huis blijft. Niet omdat hij dat zo graag wil, maar omdat dat is waar hij goed in is. Korte afstanden. Waar de intercity’s snel en efficiënt tot de ware grote steden komen, zijn sprinters er om je thuis te brengen. De sprinter die je na een bier of acht teveel nog trouw naar je perronnetje kachelt. Die keer op keer zijn aanloop neemt na ieder verlaten station. De sprinter die je naar je Tinderdate treint en je hopelijk morgenvroeg pas weer ophaalt. Die naar oma’s of basisschoolvriendjes spoedt. Of naar een intercity. Waar de reis pas echt begint. Die sprinter. Dat ben ik.

Als ik de klas binnenloop glimmen de gezichten van de talentvolle studenten. ‘Hé, Rensie!’ De intercity’s zijn blij hun sprintertje te zien. En ik hen. Nooit had ik gedacht, dat een sprinter zijn zo fijn was.
RK