Goed, ik ben nieuw als columnist en als je nieuw bent, moet je jezelf voorstellen. Ikzelf vond dat vroeger in een nieuwe klas gek. Probeer maar eens van 28 klasgenoten hun familiaire situatie, leeftijd en hobby’s te onthouden. Kan niemand! Wat zijn we dan aan het doen? Ik ben al blij als ik drie voornamen kan onthouden. Bij de juiste personen, ook dat. Als kind vond ik het hele voorstelrondje nogal een dingetje want zodra in een nieuwe klas die hele fanfare begon, brak het zweet me lichtelijk uit. Wat zeg je tijdens zo’n rondje? En wat zeg je niet? Noem je huisdieren? Wat zijn eigenlijk mijn hobby’s? Hoe oud is mijn zus ook alweer? Wat wil ik later worden? Zouden de kinderen de woorden columnist of cabaretier al kennen? Gelukkig begon mijn achternaam met een K dus zat ik altijd veilig halverwege. Als ik met de letter van mijn achternaam in een vliegtuig had gezeten, zat ik bij de nooduitgang, zoiets. Zelfs als de juf een beetje gek deed en het alfabet een keertje van achter naar voren af ging, zat tante Kruitbosch veilig.

Enfin, de beurt dus. Tot een jaar of 18 ratelde ik braaf mijn paspoort, hond en familiegegevens op. Totdat ik wat ouder werd en het me begon te vervelen. Ik werd rebels. Of althans, een beetje. In plaats van mijn naam ging ik kekke feitjes opnoemen. Dat ik in blokletters schrijf. Dat ik ooit als kind, toen mijn moeder niet oplette, een heel pak aanmaakblokjes naar binnen heb gekaand. Dat ik benzine lekker vind ruiken zal niemand meer verbazen. Dat ik mijn allereerste sigaretjes op mijn slaapkamer rookte en de peuken in de tuin gooide. Die mijn vader vervolgens netjes bijeen harkte om mijn moeder niks te zeggen. En dat ik twee verschillende sokken draag.

Maar goed, u wil natuurlijk veel méér weten van dat nieuwe blondje. Voor de oplettende lezer; ik kom van een andere krant. Er heeft een heuse transfer plaatsgevonden. De Gemeente Voorst is al aardig bekend met de columns en nu wordt het gebied wat groter. Eng? DOODENG. Leuk? Superleuk. Ik kan u wel zeggen, de mensen zeggen ‘dat je van mij moet houden, of het helemaal niks vindt’. Die laatste club heeft geen humor en de eerste club zijn vanaf nu mijn allerbeste vrienden.

Ik was nooit zo’n schoolganger. Sterker: soms moest ik me in sommige lessen zelfs opnieuw voorstellen. Vooral de eerste twee uur op school werden vaak overgeslagen door juffie Kruitbosch. De wiskundedocent had geen idee wie dat zesjes-talent was tijdens tentamens. Dat was ik namelijk, een zesjes-talent. Als je meer dan een zes haalde, had je teveel geleerd. Behalve voor Nederlands, daar leerde ik als een beest voor. En ik zat in het Jongeren Lagerhuis, een debatclub voor puistenkoppen. Ik had er de tijd van mijn leven. De rest van het VWO kon me gestolen worden. Waar anderen afreisden naar universiteiten na het slagen, ging ik fulltime in de horeca werken. Even geen regels. Jaren later begon ik als manager voor Ahold. Ik zat, zoals mijn eigen letter K, veilig in het midden. Prima job. Leuk. Maar het was een plek zó veilig, dat ik niet wilde blijven zitten, maar wilde springen uit de nooduitgang.

Dus dat deed ik. Een jaar of twee geleden heb ik de Schrijversvakschool in Amsterdam gevolgd, met maar één doel: ik wilde columnist worden. Dat kleine meisje uit de voorstelronde bleef ‘schrijven!’ naar me roepen. Veel mensen verklaarden me voor gek toen ik mijn goeie job bij ome Ahold opgaf om me helemaal te richten op het schrijven. Dat werd nooit wat. Ik zou falen en dakloos worden en kermend op de stoep in Zaandam liggen. Maar het ging anders. Ik ging voor bedrijven aan het tikken en communiceren en ik kreeg na lang aan de deur rammelen een eigen plek in een krant. De columns gingen goed en nu mag ik voor de Steden Driehoek schrijven.

Ik vond het als kind lastig mezelf voor te stellen. En ik vond het als kind lastig, me een carrière als columnist voor te stellen. Maar neem van mij aan: met een goeie dosis zelfspot, humor en eigengereidheid is álles mogelijk. Ik hoop dat u met plezier mijn columns leest. Ik ben ook te volgen op Facebook of op www.renskekruitbosch.nl.