Jack woont in het bejaardentehuis want mensen zeggen dat hij oud is. In zijn kamer scharrelt hij rond van stoel naar keuken naar toilet en weer terug. De zuster zegt dat hij een zwakke prostaat heeft. Zelf zegt ‘ie liever dat ‘ie gewoon heel graag pist. Aan de wand hangen vier zwart-witfoto’s, in verschillende houten lijstjes. Het mooiste lijstje is voor Claartje, zijn vrouw. Ze is inmiddels veertien jaar dood, wat voelt als veertienduizend.

 

’s Ochtends komt de zuster met pillen. Tegenwoordig blijft ze er bij staan, na wat verdwijntrucjes van Jacks hand. Wanneer de nieuwe zuster de drie pilletjes bij hem in het vuistje stopte en hem een glaasje water aanreikte, riep hij steevast:
‘Hé, loopt daar nou een muis in de vensterbank?’
Ze trapten er allemaal in. In de tijd dat de zuster omkeek en naar het venster liep, gooide Jack zijn pillen in de met bolbegonia gevulde plantenbak. Na een tijdje begon het kreng te verleppen en toen de huishouding de plant in de groene container gooide was het bewijsmateriaal shockerend. Dat waren de woorden van de directeur. Daar moest hij op gesprek komen. Dit kon zo niet langer.
Jack had geknikt en nog een week lang geprobeerd de Smarties onder zijn gehaakte kleed te moffelen, maar ook daar kwam de inspectie van in Crocs gegoten zusterbrigade achter. Nu leggen ze de pillen op zijn tong. Voorzichtig, want de eerste paar keer had hij met zijn klappergebit – zo noemt hij het zelf – in de vingers van de verpleging gebeten. Jack lachte zijn klappertanden bloot, de zusters lieten vervolgens hun tanden zien. Als meneer Buitenhof nog één keer een geintje uit zou halen volgde een berisping.
‘Lekker, kun je dat eten?’ had hij olijk gevraagd en niemand had gelachen.
Op dinsdag is het klaverjassen met Fred en Nico. Fred is een klein mannetje met het oog van een havik en Nico let nooit op. Alleen op de jonge zusters. Fred heeft een jaar of vier zijn doodzieke vrouw Marie verzorgd en is sinds een jaar weduwnaar. Zijn kamer hangt vol met vergeelde posters van zonnige oorden. Nico woont naast Fred en heeft niks met katten. Eerst zat het drietal te kaarten in de gezamenlijke ruimte, maar Fred vloekte teveel. Dikke Jannie van nummer 23 klaagde bij de Koning, de directeur. De drie oudjes moesten zich melden. De Koning had als oplossing dat de jongens, want zo noemde hij ze -de mallerd dat hij er rondliep, maar op een kamer moesten gaan zitten.
‘Mooi,’ had Nico geantwoord, ‘Kunnen we ook meer zuipen en sigaren roken.’
Nu zitten ze elke dinsdagavond bij Fred op zijn kamer want Fred heeft als enige een schuifdeur. Die zetten ze, weer of geen weer, open om naar mooie meiden te fluiten die langs komen op de fiets maar vooral om de sigaarlucht weg te blazen. De dinsdagavond is heilig voor het drietal.
Deze dinsdag is het anders. Als Jack het begindeuntje van ‘Eye of the Tiger’ klopt als teken van binnenkomst op de deur van Fred komt er geen reactie.
‘Godverd-’ murmelt Jack en zet nogmaals de begintune kloppend in. The Tiger geeft geen sjoege. Als Jack aan de deur voelt, zit deze niet op slot. Hij wandelt de ruimte in wat de zusters ‘gang’ noemen, maar wat meer een veredeld stapje naar de woonkamer is. Een gang is lang en dit is kort. Dit is dus meer een gort. Dat grapje snapt de verpleging niet.
‘El Fredo… Lig je te maffen?’
Links in de kamer staat het bed met wat Nico een ‘trekhaak’ noemt. Zo’n ding om je overeind te hijsen als je dat zelf niet meer kunt. Over ‘trekhaak’ wordt iedere dinsdag dezelfde grap gemaakt. Dat ze liever willen dat de zuster hen trekt. Vooral Nico lust er naar eigen zeggen wel pap van. Daar gaan ze maar niet teveel op in.
Onder het dekbed ligt Fred.
‘Fred… Jongen, kom er eens uit.’ Jack duwt tegen de bolling en voelt tot zijn verbazing geen weerstand. Hij kijkt om zich heen. Niks geks te zien. Voorzichtig trekt hij het okergele, ietwat muffe dekbed richting het voeteneind. Op het matras, net nog onder het dekbed, liggen twee rugzakken, een envelop, twee paar slippers en een ansichtkaart. Jack kijkt nog eens om zich heen om spionnen te betrappen. Niemand in de kamer. Op de ansichtkaart staan twee palmbomen met ondergaande zon en een zongebruinde blondine met ontbloot bovenlijf.
‘Mooi,’ mompelt Jack in zichzelf en glijdt met zijn duim over de dame. Hij draait de kaart om en herkent de hanepoten. Het is het handschrift dat iedere dinsdag valse scores in eigen voordeel bijhoudt van het kaarten. Het is de pen van the Tiger.
‘Wel godverd…’
Jacks ogen worden groter en hij draait de kaart nog eens om. Nog steeds de prachtige dame en nog steeds op het schrijfgedeelte dezelfde hanepoten. Er schuifelt iemand de kamer van the Tiger binnen.
‘Jack de Rippert! Daar ben ik dan eindelijk. Minie van nummer 43 begon weer over die kut cavia. Ik moest en zou naar Snuffie komen kijken. Flikker toch op met je Snuffie, zei ik, en dat mocht ik niet zeggen want dat was…’ Nico ziet zijn vriend met de blote-meiden-kaart in zijn hand verbaasd naast het bed met trekhaak staan.
‘Wat zie jij er uit. Liep Neeltje weer nakend door de gang? Dat mens is knettergek, wat ik je brom’
‘Ga even zitten,’ valt Jack zijn vriend in de rede, ‘een kaart van the Tiger. Van Fred. ’

 

‘Gate 14?’
Nico scharrelt gedwee achter zijn vriend aan. Het is niet druk op het vliegveld dus de heren kunnen doorstappen. Een aardige medewerker had aangeboden de heren middels golfkarretje naar de gate te vervoeren.
‘We mogen wel oud zijn, vriend, maar we rossen je nog met gemak naar de grond, hoor. Berevaarlijk, wij twee,’ had Nico geroepen. De luchtvaartmedewerker had zijn wenkbrauwen opgetrokken en was rustig verder gekard.
‘Zo. Zag je dat, Jack? Ons maken ze niks. Dit kunnen wij.’
De rij bij de balie is lang en Jack voelt dat hij alweer moet plassen.
‘Hier, hou even vast. Moet even wateren.’
‘Alweer? Zenuwen?’ grinnikt Nico.
‘Flikker op. Hier, hou nou maar vast, man.’
Nico neemt de envelop met tickets over en Jack scharrelt richting het toilet. De met kobaltblauwe badkamersteentjes bezette wc’s ogen smetteloos. Na de gele waterval stommelt hij naar de wasbak en kijkt naar zichzelf in de spiegel. Hij veegt zijn weinige, donkergrijze haar weer netjes één kant op en dept wat water in zijn gezicht. Uit zijn borstzak haalt hij zijn pillen, werpt een blik op zijn spiegelbeeld en stopt de pillen-parade terug in zijn zak. Vliegen. Dat het er ooit nog van mocht komen.

 

‘Nou, na dat laatste akkefietje met de Koning over die kut-cavia van Minie dacht ik: verrek maar,’ gaat Fred verder, ‘Ik vond het zelf wel een leuke grap het dier groen te verven. Toen de Koning riep waar het toch heen moest met mensen zoals ik, was dat een soort teken. Waar wilde ik heen? Dus ik naar het reisbureau, die tickets geboekt voor mezelf en daarna voor jullie, en nu zitten we hier. Dit is toch godnondeju fabelachtig mooi, jongens?’
De drie mannen zitten op het terras als de serveerster nog een rondje cocktails uitserveert. Jack neemt een Mojito. Moest van Nico zodat de knappe serveerster het zou uitspreken. Dat klonk zo sexy.
‘A moo-gie-thò?’
De helder bruine ogen van het jonge meisje schieten vragend langs de heren, gezeteld aan het zilveren terrastafeltje. De plastic gevlochten zittingen van de stoeltjes tekenen in hun witte benen.
‘Si,’ knikt Jack. De zon lijkt het zeewater te kussen en een warm briesje streelt langs de gerimpelde huiden van de mannen. Nico heeft een Hawaiishirt aan en zijn blote bol glimt in het Spaanse zonlicht. Niemand weet waar Fred naar kijkt want zijn ogen zijn verscholen achter een grote zwarte zonnebril. Tevreden zit hij achter zijn donkerrode cocktail met een overdreven vrolijk parapluutje.
‘Ik had dit veel eerder moeten doen…’ mompelt Fred.
Jack kijkt naar the Tiger.
‘Had dan net al een Bloody Mary besteld! Die Tequila-rotzooi is niet goed voor een mens.’
‘Nee eikel, naar Spanje moeten gaan. Mijn hele leven lang heb ik gedroomd over het land waar ik dacht nooit heen te kunnen. Nu ben ik tweeëntachtig en zit ik hier. Zonder Marie.’
Nico kijkt op.
‘Maar met een Bloody Mary.’
De drie vrienden zwijgen in alle talen.
De avondzon, de licht rozige gezichten en het warme briesje zeggen alles. Dit hadden ze een half decennium geleden moeten doen. Of juist niet, en was het verlangen naar de zonovergoten Spaanse plek bijna net zo mooi als het moment nu, hier.
‘En je twee beste vrienden, Tiger. Wat wil een mens nog meer?’ verzucht Nico.
Jack schraapt zijn keel en kijkt naar zijn vrienden. Wat wil een mens nog meer. Een pilletje wellicht. Een pilletje om mooie tijden stil te kunnen zetten en herinneringen in de plantenbak bij de bolbegonia te kieperen. Bij de Spaanse bolbegonia, waar de zusters en de Koning nooit aan zullen komen.